Preek Epifanie 2020

Vandaag vieren wij Epifanie,

de Openbaring van de Heer.

Wat die openbaring inhoudt

zullen wij straks wij aan het begin van het eucharistisch gebed

met de woorden van de prefatie uitzingen:

dat God

het geheimenis van onze redding geopenbaard heeft

in Christus,

het licht voor alle volken;

dat God zich in Christus in ons sterfelijk lichaam

aan deze, aan onze wereld getoond heeft

zoals Hij is:

licht en leven,

redding en vernieuwing

voor alle mensen,

voor Jood en heiden.

Eén van de evangelieverhalen die bij de viering van deze Epifanie,

deze openbaring horen,

is dat van de wijzen uit het oosten,

mensen die met een ster als geleide

op zoek gingen naar dat geheim van God,

waarvan ze dachten dat

dàt aan hun was geopenbaard.

Dat overbekende verhaal van de wijzen uit het oosten

is als je het eens kritisch bekijkt

best een vreemd verhaal.

Er rijzen dan ook nog al wat vragen.

Hoeveel wijzen waren er eigenlijk?

Waar kwamen ze vandaan?

Wat was dat voor een wonderlijke ster

die opgaat, verdwijnt en stil kan staan?

Allemaal heel interessante vragen,

waar theologen en historici van alle eeuwen en plaatsen

een antwoord op gezocht hebben

en soms ook wel heel plausibele hebben gevonden.

Maar of ze met die antwoorden

de waarheid van het verhaal hebben gevonden?

Dat is maar de vraag.

De waarheid ligt namelijk niet

in de antwoorden op al die interessante vragen,

maar in de bedoeling,

de diepere zin van het verhaal.

Dus niet in de historische rapportage,

maar in het symbool.

Niet in de al of niet éénduidige interpretatie van de informatie,

maar in de gelovige meditatie.

Het verhaal van de wijzen uit het oosten

gaat als het goed is over onszelf,

over u en over mij.

Wij kunnen als het goed is

onszelf terugvinden in die wijzen uit het oosten.

Bijvoorbeeld in onze drang om net als zij

steeds naar God te zoeken.

Die wijzen waren mensen die heimwee hadden naar God

en die leefden van een droom dat er ooit eens een wereld zou komen

waarin alles zou zijn geordend

naar recht en gerechtigheid,

waar vrede en trouw

de gewoonste zaak van de wereld zouden zijn.

Wij beleven die heimwee vaak net zoals zij.

En wij zoeken God – net als zij –

langs omwegen en dwaalwegen,

we vragen de weg aan anderen

met al de daaraan verbonden onzekerheid.

En als wij dan in ons leven onverwacht op God stuiten,

dan kunnen onze oriëntatiepunten

en ook onze vreugde over die vondst van God

weer net als die ster in het oosten

ook weer plotseling verdwijnen.

Als je dat bedenkt

dan is dat verhaal over die wijzen uit het oosten

dat op het eerste gezicht niets anders is

dan een mooi verhaal,

een vreemde beleving

van wat geleerde mannen uit het begin van onze jaartelling, –

dan is dat verhaal ineens de beschrijving

van een mens die God zoekt,

van een mens die bereidt is de ster van zijn idealen,

de aanwijzingen van God

en de verwijzingen naar God te volgen.

Het is het verhaal van onze geloofsweg.

In dit evangelieverhaal

treffen we ook de contrastfiguren aan

van mensen die onze geloofsweg moeilijk maken.

Mensen die zich gemakkelijk hebben genesteld

in hun paleis of studeerkamer,

in hun gewone leven.

Mensen die niet als Herodes niet bereidt zijn

om hun verworven positie in deze wereld

te verliezen;

mensen die als de schriftgeleerden

alles heel goed weten,

maar die uit deze kennis

niet de juiste gevolgtrekkingen maken.

Mensen die zich zichzelf gevangen houden

door hun angsten, vooroordelen en voorschriften.

Mensen die zich weren tegen verrassende ervaringen

en die alles afweren wat hen

uit hun zelfgenoegzame rust zou kunnen brengen.

In ieder van ons steekt – denk ik –

wel iets van de angst en de afweer van koning Herodes;

van de zekerheid van de priesters

die door hun weten menen

dat zij Gods handelen in de greep hebben.  

Een zekerheid die zij zich door niets en niemand,

zelfs niet door God willen laten afnemen.

Maar ieder van ons ervaart ook wel iets

van de hoop,

de moed en de blijdschap

van de wijzen,

om de weg om God te vinden

en om op die weg verder te gaan.

En dat ondanks ontgoocheling en afwijzing

en misschien zelfs wel

door anderen belachelijk gemaakt worden.

Door te laten zien

dat de pasgeboren koning van de Joden,

de Messias van Israël en van de volken,

niet in een paleis,

maar in een gewoon huis te vinden was,

wil de evangelist Mattheüs ons laten zien

dat de God niet altijd te vinden is

waar wij Hem normalerwijze

volgens onze voorstellingen zoeken,

maar daar waar God zich aan ons wil openbaren.

De wijzen zochten de Messias,

maar ze vonden Hem niet zoals zij hem hadden voorgesteld,

maar in de gestalte van een kind,

of zoals onze liturgie het in de prefatie

heel plastisch,

maar wel heel waar uitdrukt

“in ons sterfelijk lichaam”.

Het licht voor alle mensen

wilde gelijk zijn aan ieder mensenkind.

Een mens laat zich vlug verblinden

door eigen verwachtingen en voorstellingen.

En je moet dan wel heel wat moed en vertrouwen hebben

om verder te gaan

en verder te zoeken,

ook en zelfs als de gezochte werkelijkheid,

als God

anders is dan wij ons dat hebben voorgesteld.

Want wie van ons zou als hij eerlijk is

zich de openbaring van God hebben voorgesteld

in een heel gewoon kind,

in een heel gewone alledaagse omgeving?

Het zou goed zijn

als wij ons deze wijzen als voorbeeld nemen

op onze geloofsweg.

Zij lieten zich verrassen.

Als zij dat kind zien met Maria zijn moeder,

dan staat er in het evangelie

vielen ze voor hem neer en bewezen hem hulde.

Zij aarzelden niet in dat kind hun door God gewezen –

dat is gewezen door de ster

uit hun  waarschijnlijk astrologische traditie

èn voluit geduid

door de woorden van de profeten van Israël – 

om in dat kind

de droom van de mensheid te erkennen:

een God die zich naar de mensen keert,

een God die de mensen wil redden.

Zij lieten zich verrassen

en zij aarzelden niet om dat Kind

hun kostbaarheden aan te bieden.

Kostbaarheden zijn voor de mensen vaak

de dingen waarop ze vertrouwen.

Kostbaarheden zijn niet alleen duur

en ze geven je niet alleen status en zelfvertrouwen,

maar bovenal geven ze je vaak het gevoel de wereld,

de mensen,

de omstandigheden

naar jouw hand te kunnen zetten.

En ook dat alles gaven de wijzen op,

ook dat legden ze aan de voeten van dat kind,

aan de voeten van God,

ze legden hun hele bestaan in zijn hand.

De geloofshouding die ons

in het evangelie van vandaag wordt getekend,

is die van de ogen openen

en van eenvoudig genoeg willen zijn

om God te ervaren in de gewone,

de alledaagse dingen van het leven.

Immers toen

“in de dagen van koning Herodes”

en in onze dagen betekent geloven:

op weg gaan,

zoeken

en onderweg de ervaring opdoen

dat God zich telkens weer laat vinden,

als wij maar bereidt zijn

ons door God te laten verrassen.

En ook als wij God gevonden hebben

blijft het leven van een gelovige steeds

dat van een zoekende.

Een zoekende

die steeds beter en dieper

in het geheim van God wil doordringen,

in het geheim van een God

die in ons menselijk lichaam

in Jezus Christus is verschenen

en die door de glans van zijn onsterfelijkheid

ook ons wil vernieuwen

en tot leven brengen,

tot echt leven.

Echt leven:

hier al op aarde

waar wij Hem thans kennen door het geloof;

en daar waar Hij ons heen wil leiden,

de plaats waar wij zijn heerlijkheid volmaakt mogen aanschouwen.

Om dat echte leven te vinden

en te behouden

zal een gelovige zich steeds weer los moeten maken

van verstarde voorstellingen

en bereid moeten zijn om het licht –

het goddelijke licht –

te verwachten uit een hoek,

waar je dat licht niet zou vermoeden.

En als je God niet vindt?

Dan moet je Hem zoeken,

net zoals de wijzen deden.

Om God te vinden moet je bedacht zijn

op de Heilige Schrift,

op de bijbelse woorden

die door profeten en apostelen zijn neergeschreven

om te getuigen van hun zoeken

en luisteren naar God

èn van hun vinden van God.

Maar het is ook een luisteren naar de tekenen

die God in onze tijd wil doen;

net zoals de wijzen de hemel afstaarden

om een teken van Gods ingrijpen

in hun wereld te ontdekken.

Een gelovige moet steeds weer bereid zijn

om zijn vertrouwde wegen achter zich te laten

en nieuwe wegen te verkennen.

Want wie als Herodes

in zijn eigen machtswereld leeft,

of wie als de overpriesters en schriftgeleerden

leven in hun eigen vredige zelfgenoegzaamheid,

zulke mensen zullen nooit een ster zien boven hun leven.

Amen.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.