Overweging Advent

“Toch zal ik juichen om mijn God en Heer”

gedachten bij een lied

aan het einde en het begin van een kerkelijk jaar.

Wapen en wapenspreuk van Teunis Johannes Horstman, Bisschop van Haarlem, in een raam in het trappenhuis van het Bisschoppelijk Bureau in Amersfoort.

Eén van mijn lievelingsgezangen is gezang 527. Het werd in 1987 geschreven ter gelegenheid van de wijding van mgr. Teunis Johannes Horstman tot bisschop van Haarlem. Het lied is een uitweiding over de woorden van diens wapenspreuk: Autem in Domino gaudebo, Toch, nochthans zal ik juichen om de Heer.

De woorden van de wapenspreuk zijn ontleend aan de profetie van Habakuk, een voor de meesten van ons tamelijk onbekend boek in het Oude Testament uit de 4e of 3e eeuw voor Christus. Het lied draagt als titel: Gebed van de profeet Habakuk. Op de wijze van een klaaglied. En ook al staat deze tekst dus in mineur, toch is het een lied van ultiem Godsvertrouwen.

Alles zit de profeet en zijn volksgenoten tegen. Er schijnt geen enkel heil meer te dagen, alles is duister: “geen oogst op ’t land, de vijgeboom verdord, geen levend water meer, geen brood, geen wijn”, de schapen Gods zijn verdreven.

In die situatie ligt de verzoeking op de loer om God dan ook maar te verlaten. Maar de profeet spreekt midden in die verzoeking “Nochtans, toch zal ik juichen in de Heer, jubelen in de God van mijn heil!”

In dat woordje “nochtans” ligt al de spanning verborgen van een tot het uiterste beproefde vreugde.

Dat “wapenlied” van mgr. Horstman zingt de Kerk, op een aarde waar overal het geweld woedt, de Naam van God maar al te vaak niet met ere wordt genoemd, de machten van haat en afgunst zich groot maken en het leven met de dood wordt bedreigd (cf. gez. 526, vers 2). Ook wij worden daarmee geconfronteerd. Dagelijks botsen ook wij op tegen de machten van haat en afgunst, van de dood. En als ons eigen leven dat niet doet, dan zorgen journaal en kranten er wel voor dat we  ze tegenkomen.

Dit gezang past heel goed in de laatste dagen van het kerkelijk jaar, de zondagen van de voleinding en bij de eerste zondagen van de Advent als wij extra intensief uitzien naar de doorbraak van Gods Koninkrijk van vrede en gerechtigheid, dat met de komst van Jezus verbonden is. Maar als wij naar de tekenen daarvan op zoek gegaan, lijkt het er eerder op dat de beweging naar dat koninkrijk toe gestuit wordt.

Wij christenen hopen op de vreugde dat elk volk op aarde, dat iedere mens, dat de gehele kosmos  de Heer zal zijn toegedaan. Jezus Christus kwam op aarde, deelde ons mens-zijn met alles er op er aan en door leed onze schuld opdat –  zoals Paulus het uitjubelt – “iedere knie zich voor Hem zal buigen en elke tong zal belijden dat Jezus de Heer is tot glorie van God de Vader”.

De mens die echter rondkijkt in de wereld merkt eerder een beweging op die de andere kant op gaat. De wereld wil helemaal niet begenadigd worden. Mensen wenden zich af van het licht van de Vader. Overal wordt de knie voor gebogen, behalve voor Jezus, de Man uit Nazareth.

Een gelovig mens kan daarvoor zijn hoofd niet in het zand steken; niet net doen alsof hij die dingen niet ziet.

Maar een gelovige kan en wil nog minder afdingen op de zekerheid van de beloften van God die tot hem zijn gekomen door de woorden van profeten en apostelen en door Gods Woord bij uitstek, Jezus Christus.

Door dat niet willen en kunnen loslaten van God en zijn beloften ontstaat de spanning van het nochtans, van het toch. Het lijkt soms wel dat het een geloven, een verwachten, een hopen tegen beter weten in is (gez. 527, vers 4).

Van de Haagse hofprediker dr. J. H. Gerritsen (+ 1923) gaat het verhaal dat hij op zijn schrijftafel een tekst met maar één woord had staan: “Nochtans”.

De dichter van ons gezang 527 omschrijft dat woord “nochtans” in vers 4 op een ontroerende wijze.

‘k Blijf daarom, tegen beter weten in,
mij richten naar het woord van het begin,
dat Gij ons, God der eeuwen, hebt gezegd:
’t verbond van trouw, van onverbreekbaar recht,
Gij, Heer, Gij zijt mijn kracht, mijn zekerheid;
ik juich om U in tijd in en eeuwigheid.

Dat vers doet bij het zingen bij mij vaak een brok in de keel ontstaan. Al wat er in het persoonlijke leven, wat er in het leven van Kerk en wereld ook mag gebeuren, er is nochtans, toch  de hoop, ja, de zekerheid dat uiteindelijk de genade van God zal overwinnen. Gods liefde voor ons mensen, die immers uit zijn hand zijn voortgekomen, is hardnekkiger dan al ons menselijk weerstreven. Ook al mag dan onze vreugde maar al te vaak beproefd zijn, toch zal vreugde het laatste woord hebben als Gods trouw en goedheid ons aan het einde zullen ontmoeten.

Ik hoop dat dit gedachten zijn, die ons in deze laatste dagen van het kerkelijk jaar 2020, zullen helpen om vol verwachting naar de toekomst te blijven kijken

Wietse van der Velde, pastoor

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.